Een nieuw museum in het Oost-Duitse Zwickau geeft een indringend overzicht van de geschiedenis van een aantal grote, maar verdwenen Duitse automerken.

De Auto Union 1000 S Coupé uit 1957, met driecilinder tweetaktmotor. (Foto: GPD/PR)
Door Rien van der Steen
Het Duitse merk Audi heeft een tamelijk lange en ingewikkelde geschiedenis. Interessant is daarom een reisje naar Zwickau in het oosten van Duitsland, waar een nieuw museum ingericht is. Het August Horch museum. In Oost-Duitsland is het op veel plekken nog net zo troosteloos als het er voor Die Wende in 1989 was. Haveloze gebouwen, grijs en grauw, slecht onderhouden wegen. Het gebied rond Chemnitz, het oude Karl Marxstadt, kijkt tegen het Ertsgebergte aan en bloeide in de negentiende eeuw dankzij de ijzerindustrie.
Carl Benz
Net als in de rest van Europa waren er tientallen Duitse fabriekjes waar automobielen in elkaar gesleuteld werden. Autopioniers als August Horch vonden daar in Saksen een prima plekje om hun eigen merk op te richten. Horch begon in 1899, werkte een tijdje bij Carl Benz - inderdaad, die van Mercedes - en richtte in 1910 in het groezelige plaatsje Zwickau Audi op. De naam was de Latijnse vertaling van zijn achternaam, die hij niet meer mocht gebruiken na een conflict met zijn collega-ondernemer.
Een andere pionier was Wanderer, dat zwerver of vagebond betekent, als tegenhanger van het destijds nog chique Britse Rover. Wanderer maakte eerst fietsen, maar switchte naar auto's in 1913. En in het naburige Zschopau zat in die dagen ook DKW, sterk in tweetakt en later een begrip voor motorfietsen. Das Kleine Wunder luidde de volkse vertaling van de afkorting, die stond voor Dampfkraftwagen, maar ook wel voor Des Knaben Wunsch, omdat DKW ook faam had als speelgoedfabrikant.

Links: DKW wilde auto's voor het volk maken. Zoals deze BMW Dixie-achtige, te koop voor 1.648 mark. Rechts: Een van de zeven gebouwde Horch 855 Roadsters. Hij kostte in 1939 ruim 20.000 Reichsmark, net zoveel als een gezinswoning. (Foto's: GPD/PR)
In tegenstelling tot de meeste fabriekjes hielden DKW, Audi, Wanderer en Horch hielden het hoofd boven water. Veel bedrijven zagen zich tot fusies gedwongen om te overleven. Zo gingen DKW, Audi, Wanderer en Horch samen verder onder de naam Auto Union AG. De nieuwe firma in Chemnitz koos als symbool vier verstrengelde ringen, voor de vier merknamen. Dezelfde ringen sieren nu nog altijd de grille van elke Audi. Auto Union bloeide op en mocht zich in de kortste keren de tweede autofabrikant van Duitsland noemen, na Opel.
Bewapening
De Tweede Wereldoorlog naderde en Hitler droeg Auto Union op mee te helpen aan de bewapening. Net als Daimler, Steyr, Maybach, Krupp en honderden andere bedrijven werd het verplicht zich in te zetten ten dienste van de gewelddadige expansiedrift van de nazi's. In het museum zijn brieven van August Horch aan de regering te vinden, ondertekend met Sieg Heil. Na de oorlog vielen de gehavende steden Chemnitz en Zwickau in 1945 toe aan het Russisch regime.
Sovjet-satellietstaat Oost-Duitsland was geboren. Veel ingenieurs namen de wijk naar Ingolstadt, dat door de Amerikanen gecontroleerd werd. In 1949 ontstond daar op de grondvesten van het uit het oosten meegenomen onderdelenmagazijn het nieuwe Auto Union. Eerst bouwde het nog alleen DKW's, en in 1958 ging het op in Daimler-Benz. Dat liet een enorme nieuwe fabriek in Ingolstadt bouwen en verkocht in 1964 de onderneming aan het VW-concern. Een beslissing waarvan ze in Stuttgart veel spijt gehad moeten hebben.

De Audi Typ P uit 1931 en in 2002 zo teruggevonden. Audi was in 1928 juist door DKW overgenomen en bouwde in die crisisjaren een Peugeot-motor in deze Typ P(eugeot). (Foto: GPD/PR)
In 1969 nam Auto Union NSU in Neckarsulm over. Audi NSU Auto Union AG was geboren, kortweg Audi en nog altijd een volle dochter van VW. Zo succesrijk ook dat VW serieus met de gedachte speelt het hele concern weer onder de vlag Auto Union te plaatsen. De Russen intussen hadden weinig op met het Duitse industriële erfgoed. Wat ze interessant vonden sleepten ze mee naar Moskou. Oude DKW's - die waren klein en konden nog door de socialistische beugel - werden nog wel gebouwd, maar nu onder de Oost-Duitse naam IFA, dat in de jaren negentig weer eigendom werd van Daimler-Benz.
Spoetnik
Trabant en Wartburg werden de nieuwe automerken van de DDR. De laatste was genoemd naar een burcht in Eisenach, waar ook BMW produceerde. De Trabant had Spoetnik moeten heten, maar dat vonden de Duitsers al te Russisch. En dus werd het Trabant, een ander woord voor satelliet, en perfect passend in de Sovjet-idee. Het proestende tweetaktje werd in de jaren negentig na de val van de Muur nog even geproduceerd met een VW-viercilinder onder het kunststof omhulsel, maar sneefde toen.
Na 1989 sloten de monumentale fabrieken in Chemnitz, Zwickau, Spandau en Zschopau. Audi trok zich zijn geschiedenis aan en investeerde flink in enkele gebouwen in Zwickau. Een oude villa van August Horch en een prachtig museum zijn aan de Audistrasse te bewonderen. Prachtig om in het museum te zien hoe ontwerpers zich inspanden om grote auto's te maken, die vervolgens met één pennenstreek door de leiding afgekeurd werden. Want de Heilstaat kon alleen dan bloeien als de inwoners bescheiden vervoermiddelen hadden, die liefst ook maar mondjesmaat voorradig waren.
In de omgeving imponeert de oude Wandererfabriek, waar behalve auto's schrijfmachines, fietsen en motorfietsen gemaakt werden. In het naburige Zwönitz restaureert Werner Zinke fabelachtige oude Horchs en Wanderers. Auto's van honderdduizenden euro's, die de voormalige DDR-elektromonteur opnieuw bouwt voor vermogende Europeanen en een enkele Amerikaan.